De Kwaliteit van Professional Masteropleidingen in het Hoger Onderwijs
Auteur: Els Bliekendaal
Pro Education BV

De oorsprong van masteropleidingen

In de loop van de jaren zijn in Nederland verschillende typen masteropleidingen voor de werkende professional ontwikkeld. Deze opleidingen hadden voor de invoering van de bachelor- masterstructuur (2003), en in tegenstelling tot de universitaire doctoraalopleidingen, geen wettelijk erkende status. De masteropleidingen werden onder andere verzorgd door hogescholen, commerciële onderwijsinstellingen en instellingen voor internationaal onderwijs. Het aanbod van postinitiële masteropleidingen verschilde onderling sterk in duur, programmaopbouw en oriëntatie. Dit leidde tot onduidelijkheid over de status, het niveau en de kwaliteit van deze opleidingen. Deze problematiek werd gesignaleerd door de Nuffic, de HBO-Raad, de VSNU en de Federation of Institutes for International Education in the Netherlands (FION). Deze organisaties hebben dan ook aandacht gevraagd voor een systeem van kwaliteitszorg en erkenning van de verschillende masteropleidingen in Nederland.

Mede vanwege het gegeven dat er in Nederland geen gereguleerde beoordeling plaatsvond van de kwaliteit van postinitiële hoger onderwijsprogramma’s, beschikten studenten over het algemeen niet over objectieve informatie over de kwaliteit van de programma’s, alleen informatie van de aanbieders zelf was beschikbaar. De kwaliteit van het onderwijs verschilde tussen instellingen en tussen de programma’s, omdat de instellingen zelf de vrijheid hebben de hoogte van de collegegelden vast te stellen en de studenten te selecteren. Het was voor aspirant studenten en werkgevers dan ook moeilijk om de verschillen in kwaliteit te beoordelen.

Een van de mogelijkheden voor het vaststellen van de kwaliteit van professional masteropleidingen was het laten toetsen van de opleiding door het voormalige accreditatieorgaan ‘Dutch Validation Council’ (DVC). Het DVC maakte onderscheid tussen een ‘kandidaatsaccreditatie’ die voorlopig werd toegekend aan (vaak) nieuwe opleidingen, en een accreditatie voor opleidingen die aan alle eisen van accreditatie voldeden. De DVC-kandidaatsaccreditaties gaven dezelfde rechten als een DVC-accreditatie.

NVAO-accreditatie als kwaliteitsgarantie

NVAO-accreditatie als kwaliteitsgarantie Accreditatie is ‘het verlenen van een keurmerk dat aangeeft dat aan bepaalde maatstaven is voldaan’ (NVAO, 2003). Accreditatie is in Nederland en Vlaanderen een voorwaarde voor bekostiging/ financiering van een bachelor- of masteropleiding door de overheid, voor het recht erkende diploma's af te geven en in Nederland een voorwaarde voor toekenning van studiefinanciering aan studenten. In het licht van de internationalisering van studie en arbeidsmarkt zorgt accreditatie voor (vergelijkbare) kwaliteitsborging van opleidingen binnen het hoger onderwijs (WHW, 2005). Eerder toegekende kandidaatsaccreditaties van het DVC konden niet meegenomen worden naar het nieuwe accreditatiestelsel, de door het DVC toegekende masteraccreditaties wel (Overgangsregeling DVCaccreditaties, 2003).

Bij accreditatie wordt de opleiding beoordeeld op de volgende aspecten:

  • Doelstellingen opleiding
  • Programma
  • Inzet van personeel
  • Voorzieningen
  • Interne kwaliteitszorg en Resultaten

(NVAO, 2003).

Het NVAO verleent het keurmerk na een positief besluit op basis van de toetsing die in opdracht van een onderwijsinstelling door een Visiterende en Beoordelende Instantie (VBI’s) is uitgevoerd. Het initiatief voor accreditatie ligt dus bij de instelling (NVAO, 2003). Onder de regie van de VBI’s zullen panels (visitatiecommissies) tot een oordeel moeten komen over de kwaliteit van de beoordeelde opleidingen. Het NVAO toetst deze externe beoordeling van de VBI’s.

Relatie werkveld en opleiding

De betrokkenheid van medewerkers, studenten, alumni en het beroepenveld is een wezenlijk kenmerk voor de kwaliteit van de opleiding. Deze betrokkenheid zal moeten blijken uit de wijze waarop de genoemde groepen worden geraadpleegd, hun rol in de besluitvorming en de doorwerking van hun aanbevelingen in de opleiding. Gedacht kan worden aan het functioneren van periodiek docentenoverleg, studentenevaluaties en de rol van de opleidingscommissie (verplicht in het bekostigd onderwijs) en de beroepenveldcommissie, die bestaat uit onafhankelijke experts, docenten, participerende bedrijven, koepelorganisaties, deelnemers en alumni. De opleiding toont daarmee aan dat zij voldoet aan de wensen en eisen van het afnemende beroepenveld, dat het programma aansluit bij de actualiteit van het werkveld en anticipeert op de trends en ontwikkelingen. Commerciële aanbieders worden door hun klanten direct op de geleverde prestaties beoordeeld, immers als de klant ontevreden is kan deze het contract beëindigen. Deze ‘tucht van de markt’ dwingt de aanbieders tot het zorgvuldig bewaken van het resultaat van hun diensten en daarmee aan te sluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen.

Relatie organisatie en opleiding

Organisaties die hun competenties willen ontwikkelen doen er goed aan hun marktstrategie actief te verbinden met een leeromgeving die hun medewerkers uitdaagt zich continu te ontwikkelen. Een goed startpunt is een leeromgeving waarin mensen vooral die dingen moeten doen waar ze goed in zijn en waarbij zij hun talenten en capaciteiten op de juiste wijze kunnen inzetten. Daarmee waarborgt de organisatie zijn continuïteit en vergroot de individuele medewerker als drager van kennis zijn of haar toegevoegde waarde voor de organisatie. De dagelijkse praktijk is een belangrijke aanjager voor de professionele ontwikkeling van mensen. Maar het zijn vaak de externe impulsen die de ontwikkeling, de vernieuwing en de verbetering in een organisatie daadwerkelijk op gang brengen. Nieuwe inzichten, meer kennis, best practises, werkbare modellen en scherpe reflectie leiden tot andere toepassingen en vormen in combinatie met elkaar de drijvende kracht achter betere resultaten. Waar de werkgever een goede leeromgeving kan verschaffen is het uiteindelijk de professional zelf die in zijn of haar opleiding feitelijk gestalte geeft aan zijn of haar ontwikkeling. Het uiteindelijke succes van het opleiden van moderne professionals wordt sterk bepaald door het vermogen van de deelnemer zelf om mede gestalte te geven aan zijn of haar ontwikkeling.

Professional masteropleidingen richten zich daarom behalve op de inhoud van de opleiding ook op de wederzijdse transfer tussen opleiding, praktijk en student waarbij ook een coachingsof supervisieproces moet worden beschouwd als een belangrijk aspect binnen het opleiden. Uiteindelijk gaat het om het vermogen de verworven kennis toe te passen in de praktijk.

Een kennisintensieve samenleving en uiteindelijk ook de afzonderlijke organisaties vergen, behalve direct inzetbare kennis (theorieën, succesvolle praktijken, methodieken, modellen), ook de onderliggende grondslagen en de inzet van verantwoord (wetenschappelijk) onderzoek. In de verwerving van de eindkwalificaties moeten ook algemene theorieën, kennis, grondslagen, ideeën en inzichten worden ingezet en toegepast.

Tot slot

De professional masteropleidingen verwerven een eigenstandige en erkende plaats, naast het academische masteraanbod. Waarbij de professional masteropleiding en haar studenten zich richten op praktijkgericht onderzoek, ontwikkelingen binnen hun eigen beroep en het leveren van bijdragen aan de eigen beroepsgroep. Vanuit een intensief contact met de directe beroepsomgeving en door actief te participeren in kennisnetwerken en brancheorganisaties kunnen onderwijsorganisaties de kwaliteit van hun opleiding, van het curriculum en van het het niveau van hun afgestudeerden waarborgen.